terug

Werkvolgorde

1 U begint met de grond te spitten of te frezen als deze erg ongelijk ligt, sterk verdicht is en als er veel onkruid groeit. Tevens kunt u de voedingstoestand van de grond verhogen door tuinaarde, kompost of oude verteerde stalmest onder te spitten.

2 Na de grondbewerking is een bemesting met kunstmest nodig. Strooi 3-4 kg mengmestkorrels per 100 m2. Deze N.P.K. meststof moet samengesteld zijn met stikstof (N), fosfor (P) en kali (K) in ongeveer gelijke verhoudingen. De kunstmestkorrels moeten door de 10 cm dichte bovenlaag worden ingeharkt om later verbranding van de jonge wortels te voorkomen.

3 Vóór het leggen van de graszoden moet de ondergrond volkomen vlak zijn. Bij voorkeur door aanlopen, maar ook door rollen wordt de ondergrond vastgedrukt. Daarna kan het met een hark geëgaliseerd worden. Als de zode eenmaal ligt moet 'nazakken' uitgesloten zijn. Dit voorkomt dan putten en bulten en dus een slechte, oneffen maaihoogte. Na het aandrukken het bovenste grondlaagje van +/- 1 cm los harken. Tijdens alle bewerkingen mag de grond wel iets vochtig zijn maar niet nat. Op een dichtgesmeerde grond zal het gras moeilijk aanslaan. Wacht dus tot de grond voldoende droog is.

volgende